Click here for English English
The Food Office

“Het broodje kaas komt voorlopig niet meer terug”

Van ouderwetse catering naar horecabeleving: “Het broodje kaas komt voorlopig niet meer terug”.

Met de start van het nieuwe jaar kijkt iedereen met een frisse blik naar wat 2022 gaat brengen. Wat betekent dat voor de catering? Tessa Riesmeijer-Van der Kamp, projectadviseur bij The Food Office, denkt dat vooral het hybride werken een grote verandering teweegbrengt. “Het broodje kaas komt voorlopig niet meer terug.”

“Dat broodje kaas kun je thuis ook eten als je al drie dagen in de week thuiswerkt. Als je naar kantoor gaat, dan wil je juist een luxe broodje of lekkere salade”, aldus Tessa Riesmeijer-Van der Kamp. Door de toename van hybride kantoren verwachten werknemers meer van de catering. “Het kantoor wordt meer een plaats om te ontmoeten, te vergaderen en te brainstormen. Als je dan naar kantoor gaat, wil je worden uitgenodigd om wat te nuttigen. Lunchen is iets leuks om samen te doen. Niet meer: ‘het is twaalf uur, laten we maar gaan lunchen’. Zelf vind ik het echt leuk om weer naar kantoor te gaan. Weer mensen zien en gezellig samen iets eten. Het kantoor heeft een verbindende, sociale factor. Dat maakt eten en drinken steeds belangrijker. Je ziet daardoor dat de bedrijfscatering zich steeds meer richting de horecabeleving beweegt.”

Werknemers binden

Voor de opdrachtgever is de cateringinvulling ook een manier om werknemers aan het bedrijf te binden. Door het vele thuiswerken kunnen werknemers die binding gemakkelijk verliezen.

Die twee tot drie dagen per week die werknemers nog naar kantoor gaan, zijn het enige moment dat ze echt in verbinding staan met het bedrijf. Daarom is het volgens Riesmeijer-Van der Kamp belangrijk dat bedrijven de bedrijfscultuur goed uitdragen op kantoor.
“Dat kan natuurlijk heel goed met het restaurant en het assortiment. De catering moet op één lijn liggen met de ambities en de strategie van een bedrijf op gebieden als duurzaamheid en gezondheid. Het is voor opdrachtgevers een doeltreffende manier om hun strategie uit te dragen naar hun medewerkers via een zichtbare dienst als catering. Als je bijvoorbeeld in 2030 CO2-neutraal wil zijn, moeten de cateringdienstverlening en het bijbehorende assortiment daaraan bijdragen.”

Borrelbox

Die binding ontstaat overigens niet alleen op kantoor. De catering kwam het afgelopen jaar met creatieve oplossingen om ook de fervente thuiswerker te bereiken.
“Wat je veel ziet zijn borrelboxen eens in de zoveel tijd. Bijvoorbeeld voor de kerstborrel of als afsluiter van een online vergadering. Maar ik denk alleen niet dat het aan de cateraar is om echt voor het eten van de thuiswerker te zorgen”, aldus Riesmeijer-Van der Kamp.
“Het is wel een leuk discussiepunt om over in gesprek te gaan. Want wie voelt zich daar verantwoordelijk voor? Vooral als een opdrachtgever zich binnen het cateringcontract inzet voor vitaal en gezond personeel en de medewerkers thuis alsnog ongezond eten. Moet je dat meenemen of niet? Ik denk dat bedrijven hun personeel op zo’n manier moeten verleiden met het aanbod op kantoor dat ze dat meenemen naar thuis. Dat ze worden geïnspireerd om thuis ook gezonder te gaan eten.”

Niet te veel poespas

Als we geen broodjes kaas willen, waar moet dat assortiment dan wel uit bestaan? Volgens Riesmeijer-Van der Kamp draait het om ‘gewoon goed’ en eerlijk eten. “Geen gedoe met moeilijke en exotische combinaties. Producten uit het seizoen en het liefst van de lokale MKB’er, maar wel van hoge kwaliteit en met extra aandacht bereid; iets wat echt het verschil maakt met die boterham met kaas van thuis.
Daarbij zijn medewerkers zich ook steeds meer bewust van hoe gezond of duurzaam hun broodje of kopje koffie is. Zo zien we steeds meer vraag naar producten uit het seizoen, plantaardige alternatieven en producten met een verhaal.

Duurzaamheid; hoe ver ga je?

Riesmeijer-Van der Kamp constateert dat het voornamelijk de jongere medewerkers zijn die zich bezighouden met eerlijk en duurzaam eten. Onder hen speelt duurzaamheid ook een grotere rol dan bij oudere werknemers. Dat maakt het voor bedrijven nog lastig om hierin een weg te vinden.
“Sommigen willen echt koploper zijn en koste wat kost de meest duurzame contracten aangaan. Anderen zijn daar iets terughoudender in. Zij willen wel een duurzamer contract aangaan, maar hier niet te rigoureuze stappen in zetten. Soms vrezen ze een lagere gasttevredenheid of ze zien in dat duurzame oplossingen hogere kosten met zich mee (kunnen) brengen”, ziet Riesmeijer-Van der Kamp.

Duurzaamheid staat al jaren in de belangstelling en dat gaat zeker niet minder worden. Nog zo’n thema is vitaliteit. Riesmeijer-Van der Kamp: “We worden steeds ouder. Je weet dat je nog lang mee moet en mensen zien steeds meer in dat goede voeding daaraan bijdraagt. Veel overheidsinstanties zijn hier al lang mee bezig door bijvoorbeeld de richtlijnen van het Voedingscentrum op te volgen. Je merkt dat deze ontwikkeling zich nu steeds meer uitbreidt richting andere branches, zoals de zorg en de commerciële markt.

Eén plakje ham

Bij zowel duurzaamheid als vitaliteit komt de vermindering van dierlijke producten om de hoek kijken. Riesmeijer-Van der Kamp: “Deze eiwittransitie wordt vaak geschaard onder de reductie van CO2-uitstoot. Cateraars passen er hun assortiment en/of recepturen op aan. Dus nog maar één broodje met vlees. Of een broodje ham met nog maar één plak in plaats van twee. Cateraars kunnen ook een vegetarische banquetingmap (menukaart voor vergaderingen e.d., red.) aanbieden. Hiervoor hoeft de gebruiker niet te betalen, dus opdrachtgevers vinden dat ze hier meer invloed op hebben. Vaak beginnen cateraars met die banquetingmap en maken van daaruit het assortiment steeds verder vegetarisch. Dit soort manieren geeft mensen onbewust een duwtje in de rug naar gezonder eten.”

Geven en nemen

Met corona, hybride werken en de transities in duurzaamheid en gezond eten is de catering volop in ontwikkeling. Dat vraagt om veel flexibiliteit.
Riesmeijer-Van der Kamp: “We hebben allemaal geleerd dat corona veel flexibiliteit vraagt van een cateraar. Nog steeds worden alle aanbestedingen gebaseerd op verwachte aantallen. Hoe gaat een cateraar daarmee om? En wat kan een opdrachtgever vragen? Het moet geven en nemen zijn. Veel cateraars huren wat betreft personeel een grote flexibele schil in die ze gemakkelijk op en af kunnen schalen. Ook zorgen ze ervoor dat ze in het assortiment snel wijzigingen kunnen doorvoeren.”

Contractduur neemt toe

Daarnaast zien we dat de contractduur steeds langer wordt, sluit Riesmeijer-Van der Kamp af. “Als je een contract aangaat voor acht jaar, hoef je niet meer voor elke euro of elke aanpassing met elkaar om tafel. Dan bouw je een partnerschap op tussen cateraar en opdrachtgever.”

Vorig blog Blog overzicht Volgend blog